Alles van waarde is weerloos

Hij is nu ruim een week bij ons; Johnny. Klein van stuk, grappig, charmant. Zijn emoties en gedrag zijn grillig en onvoorspelbaar. Hij verstopt zich steevast onder een rode pet.

Als ik hem ophaal van het station, samen met mijn collega, zie ik hem in zijn eentje een enorme tas sjouwen. Met één hand houdt hij beide hengsels vast die strak over zijn rechterschouder hangen; de tas leunt op zijn rug. Hij loopt voorover en lijkt gebukt te gaan onder het enorme gewicht van zijn hele hebben en houden. We krijgen van hem een hand en met z’n drieën tillen we de tas op mijn fiets. De voorkant van de tas ligt op mijn stuur, de achterkant hangt over het kinderzitje van mijn fiets. We lopen langs hoge flatgebouwen, bomen, trams.
Hij praat en praat. Over waar hij al die tijd sliep, over zijn moeder die niet meer leeft, over zijn vader die hem telkens op straat zet. Ik vind hem aandoenlijk. Mijn arm verkrampt in een poging mijn fiets recht te houden. Plotseling ziet hij een glimmende geparkeerde Porsche. Ik stop, er moet gevlogt worden: “Jo, jo, jo,  jo,  jo, check deze lijpe Porsche mensen, straight from Damsko, we zijn live”

Die week gaat het op en af met Johnny. Hij is er meer niet dan wel. Waar is hij als hij er niet is? Ik weet het niet. Hij maakt nauwelijks afspraken, en als hij ze maakt, dan houdt hij zich er niet aan. We hebben geen grip, kunnen weinig toezicht houden. Ik maak me zorgen. Daarover ga ik met hem in gesprek, mijn collega is er ook weer bij. Hij is er als ik aankom voor onze afspraak op de opvang, iets wat ik al ervaar als een welkome verrassing. Als ik hem de hand schud voel en zie ik direct spanning en stress bij hem. Zijn lijf is onrustig, zijn ogen staan dof. “Ik moet roken”, en hij vliegt naar buiten.

Ik krijg een kopje thee van mijn collega en wacht geduldig. Dan komt hij tegenover ons zitten en legt zijn hoofd op tafel. Een wit Nike logo op zijn rode pet kijkt me geduldig aan. Zijn vingers tokkelen op de keukentafel. “Johnny, hoe is het?”, zeg ik tegen de pet. Stilte. “Goed dat je er bent”, afgezaagd maar goed bedoeld. Ik blaas in mijn hete kopje thee. “Wil je alsjeblieft rechtop gaan zitten en ons aankijken zodat we het gesprek kunnen beginnen?” Niks. Alleen het spierwitte Nike teken op de rode pet. Geen reactie. Ik voel dat de spanning oploopt. Mijn collega zegt niet zoveel, ze luistert. Ik besef me dat deze jongen een van haar eerste casussen is. “Johnny, ik vind het onprettig en respectloos als je zo tegenover ons blijft zitten, ik zou het fijn vinden als je ons aankijkt.” Hij kijkt op. Zijn ogen staan op onweer. Hij begint te trillen en zachtjes te praten. Ik ben op mijn hoede. “Ik bepaal mijn eigen regels, jullie zijn mijn ouders niet!”, steekt hij van wal. En hij vervolgt zijn betoog met: “Bij mij bestaat ‘moeten’ niet!” en: “Ik heb het al die jaren alleen gedaan, wat komen jullie doen…. Als mijn moeder er nog was, zat ik hier niet zo.” Ik weet niet zo goed waar ik de aansluiting met hem moet gaan vinden, en kan alleen maar zeggen: “Ach jongen toch…”

Dan wordt zijn betoog theatraler. Hij snuift adem dramatischer in en uit dan nodig. Zijn huilen zonder tranen is niet oprecht. Hij doet alles om geen afspraken te maken met ons.
“Ik word kanker parra hier.” Hij zegt dat hij met de dag meer begint te trillen en te stressen, dat hij elke dag last heeft van hoofdpijn sinds hij op de opvang verblijft. Ik vraag hem wat hem rustig zou kunnen maken. Elk idee dat ik opper veegt hij resoluut van tafel. Ik zeg hem dat ik daarom vorige week suggereerde dat psychische hulp voor hem goed zou zijn. Nog voordat ik uitleg kan geven spuwt hij me giftig toe:

“Als iemand dat nog één keer zegt, vermoord ik die persoon!”

Ik schrik. Het klinkt als een akelig serieus dreigement.

Mijn opmerking is duidelijk totaal verkeerd gevallen. Deze jongen heeft niets te verliezen spookt door mijn hoofd. Heel rustig zeg ik hem dat ik twee jonge kinderen heb en dat als hij voelt zichzelf niet onder controle te hebben, ik direct wegga. Zijn handen rusten beiden op de keukentafel. Ik ben bang dat hij de tafel keihard naar me toe zal duwen. Of me naar de keel zal grijpen zoals hij onlangs bij zijn zus deed. Zijn woede is duidelijk naar mij gericht, niet naar mijn collega. Ik zie dat zij ook op haar hoede is. Ik schuif het hete kopje thee wat verder van me af.

Hij kalmeert een beetje. Gelukkig. Ik open de deur, met een schuin oog naar mijn collega, en vraag de mannelijke collega die de opvang runt, erbij. “Ik vertrouw hem niet”, zeg ik zonder geluid te maken. Hij gaat naast Johnny zitten en probeert het te kalmeren met zijn kalmerende vriendelijke Friese accent. De aansluiting die ik niet vond, blijft de rest van het gesprek onvindbaar. Eerlijk gezegd probeer ik het ook niet meer. Boos belt Johnny zijn vader, die niet opneemt, zijn jongerencoach, die ook vindt dat hij afspraken moet maken zoals ieder ander. Hij drukt geïrriteerd op het rode hoorntje, stuift weg van tafel en rent de trap op naar zijn kamer. Twee minuten later is zijn enorme tas ingepakt en komt hij naar me toe. Hij drukt me de OV kaart van de opvang in mijn hand: “Bedankt.” En hij loopt naar buiten. De stromende regen in.

Op de fiets voel ik me kwetsbaar en zeker ook opgelucht dat het goed is afgelopen. Mij mag nu minder dan ooit iets overkomen.  Mijn vent verloor zijn kleine broertje, die het echt niet meer zag zitten. Nu, anderhalf jaar later, kan de pijnlijke werkelijkheid bij hem binnen denderen. Mijn Vent was nooit bang. Nu voelt hij regelmatig beklemmende angst dat ik ook plotseling zal verdwijnen.

“Alles van waarde is weerloos”, herinner ik me weer. Het stond hoog op een gebouw ergens in Rotterdam. Ons oog viel erop toen we een weekendje daar waren met ons tweetjes. Deze zin trof ons zeer.  We maakten er meteen een foto van. Een adembenemende omhelzing. “Je gaat toch nooit weg hè” vroeg mijn Vent.

 

\

Illustratie: May Jansen

Post navigation

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *