Code Rood

Faithless knalt uit de speakers met de hit uit begin 2000, “We come one”, tijdens een spinninglesje op de vrije zondagochtend. Mijn benen draaien dapper in het rond op het ritme van de beat, mijn handen leunen los op het stuur. Voor mij zie ik een rij bezwete ruggen, daaronder blote benen ritmisch mee trappend.

De muziek brengt me in gedachten terug naar een willekeurige stapavond in Time-Out, het uitgaanscentrum in Brabant waar ik vele avonden dansend, drinkend en stiekem rokend doorbracht. Ik zat in vier of vijf havo denk ik.

Zojuist bevrijd van mijn plaatjesbeugel en de verplichte thuiskomtijd. Mijn huid verstopt onder een zorgvuldig aangebrachte laag foundation van de Hema. Het lijf dikkig, als logisch gevolg van alle frikandelbroodjes onder schooltijd. Al is het geleende strapless topje voor mij net iets te kort, het staat best. Ik vind dat ik het wel kan hebben. Ik drink behoorlijk wat biertjes van mijn salaris verdiend op de zaterdag in het tuincentrum. Mijn haar is door mijn buurvrouw met henna roodgeverfd, in een pittig kort model geknipt en gestyled met een flinke lik wax. Zonder goed naar de tekst te luisteren dans ik nonchalant op de muziek.

Ik denk dat het er mysterieus uitziet hoe ik daar dansend sta in een sluier van rook uit de rookmachine, in het knipperende licht van de stroboscoop. Stilletjes heb ik altijd de hoop dat er een jongen mij in mijn zorgvuldig uitgekozen outfit leuk vindt en naar me toe zal komen.

Gaby moet ongeveer net zo oud zijn als ik toen. Ze heeft me gevraagd of ik met haar een kijkje wil gaan nemen bij de groep waar zij voor langere tijd naartoe gaat. Waar haar impulsieve en opstandige gedrag wordt aangepakt en ze intern naar school zal gaan. Deze plek is een dikke 100 kilometer van haar thuis vandaan en bevindt zich midden in de bossen. Over een paar dagen staat de verhuizing al gepland. Gaby heeft zich neergelegd bij dit besluit, dat tegen haar zin is genomen door haar gezinsvoogd en haar ouders.

Als ik ’s morgens met een grote bus naar haar toe rijd hoor ik op de radio dat code oranje is afgegeven vanwege de harde wind. Bij windsnelheden boven de 100 km/h spreekt het KNMI van een “zeer zware storm”. Dit is vandaag het geval, wordt gezegd. Bomen kunnen omwaaien, takken kunnen losraken en dakpannen kunnen van huizen worden geblazen. Ik word afgeraden om de weg op te gaan, maar heb het haar beloofd. Als ik verwaaid binnen kom op de crisisopvang waar Gaby verblijft opent ze, nog voor ik kan aanbellen, de deur.

Van het meisje in een slobberige joggingbroek is ze veranderd in een diva.
Ze laat me haar zwarte glimmende jas met bont, Italiaanse merkschoenen en peperdure shawl zien en vermeldt de merknamen en de prijs.  Ze heeft in haar handen een klein, zwart, glimmend handtasje van Ted Baker. In dat tasje zie ik een pakje Marlboro light, een rosé gouden e-sigaret en een granenreep van de Lidl. Gaby reageert enthousiast als ik haar vertel over de wind en de code oranje.“ Tuurlijk gaan we man! We zijn geen mietjes!”  Haar ogen fonkelen.

Ik moet beide handen consequent aan mijn stuur houden om de macht erover niet te verliezen. Gaby morrelt ondertussen aan de radiozenders, op zoek naar radio 538, Slam of Fresh FM. Wanneer er tussen de muziek gesproken wordt switcht ze resoluut van zender. Ik kijk naast me en zie hoe Gaby meezingt op de muziek waarvoor ik me al een hele poos veel te oud voel.

Ik stel voor dat we even stoppen voor koffie.  “Ja! Kan ik eindelijk roken!”, zegt ze melodramatisch. Ik bestel twee cappuccino en koop op verzoek een aansteker, dan lopen we terug naar onze bus. Na een aantal geduldige pogingen van Gaby om ‘m aan te krijgen, wordt haar sigaret met een fikse ruk uit haar hand gewaaid. Met rode blossen komt ze lachend naast me in de bus zitten. “Tering, wat een wind!”, glundert ze. Ik zet de radio vol waarschuwingen, code rood is het inmiddels, zachter. Als ik de bus start en weer invoeg op de snelweg zie ik tot mijn schrik een vrachtwagen gekanteld in het gras liggen. Gaby eet neuriënd haar granenreep op.

We rijden een veel te lange weg tussen twee rijen op en neer wiegende hoge bomen. Het lukt me godzijdank op tijd alle gevallen takken en stronken te ontwijken. Er is niemand voor, en niemand achter ons op de weg. Ik ben enorm opgelucht als we er eindelijk zijn en hartelijk ontvangen worden door haar aanstaande groepsleider met een donkere baard en een rammelend keycord met sleutels aan zijn broek.

Gaby kijkt rond en vraagt, enigszins gehospitaliseerd, over de bedtijden, wanneer ze op verlof mag, de te verkrijgen privileges en binnen hoeveel maanden ze haar behandeling afgerond kan krijgen en weer weg mag. Als ze ziet dat de groepsleider een slaapkamerdeur opent met een sleutel vraagt ze verschrikt: ”Gaan de slaapkamers hier op slot als je erin zit?”. Hij stelt haar gerust, de deur gaat alleen aan de buitenkant op slot; zijzelf kan er altijd uit.

Op de weg terug kiezen we voor een route met minder bomen en is het weer een stuk kalmer. Gaby en ik kletsen nog even maar al gauw zijn we stil.

Ik verzink in gedachten.

Zij, Gaby, die in alles, gevaarlijk of niet, een groot en mooi avontuur ziet.
Voor een klein stukje denk ik bij het zien van haar aan mij, toen, dansend in de rook.

Zelden bang. Niets te verliezen. De wereld aan onze voeten.

Ik denk aan mijn lieve, stoere vader. Dat hij me laatst openhartig vertelde dat hij het leven nog zo leuk vindt. En dat je als je ziek bent, wordt geconfronteerd met de angst dat iets in jouw lijf de boel behoorlijk aan het verzieken is.

Ik probeer niet te veel in code rood te denken, maar soms, al zet je de radio zachter, blijft het gevoel van angst zachtjes binnen aan je knagen.

 

Illustratie: May Jansen

 

  1 comment for “Code Rood

  1. Thea
    februari 6, 2018 at 4:51 pm

    Weer mooi verhaal Eva. Vooral slotzin doet we wat.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *