She was rude

“A je to” klinkt het door de huiskamer. Mijn grieperige peuter houd ik zoet met een Buurman en Buurman marathon. Ik zit naast hem met mijn Macbook op schoot.
Zijn voetjes friemelen zachtjes tegen de mijne, verstopt onder ons favoriete dekentje.
Mijn lijf en hoofd komen bij van het volle kerstfeest van de afgelopen dagen; sneetjes kerstbrood, een overheerlijk viergangendiner met een overvloed aan wijn, geanimeerde gesprekken over het krijgen van baby’s, trouwen, werk, het leven en de daar bijhorende dood, gelardeerd met ijzersterke anekdotes uit het verleden, nog een glaasje en nog een glaasje, aangevuld met een vleugje country kerstmuziek, een vuurtje in de vuurkorf op de stoep, kinderlijk gekeet op de zolder en onze buiken zijn vol.
Tevreden, overvol.

De eerste keer dat ik Binta ontmoette, een paar weken geleden, had ze honger en was ze moe, doodmoe. Ze sliep al een paar dagen in stations en zwierf over straat.
Binta, Ugandese van afkomst, lesbisch, is vanwege haar geaardheid haar leven niet zeker in haar geboorteland. Ze heeft besloten haar twee kinderen achter te laten, bij een vertrouwd pleeggezin. Na twee jaar gescheiden van ze te zijn geweest worden haar twee kleutertjes eind november zonder documenten, plotseling op Amsterdam Centraal Station gedropt, door de pleegmoeder uit haar thuisland. Pleegmoeder, door de kinderen liefdevol “Aunty”, genoemd, overhandigt Binta de kinderen en gaat even bellen. Daarna is zij spoorloos.  Haar telefoon staat tot nu toe uitgeschakeld.

De partner van Binta  wijst haar de deur als zij hoort van het bestaan van Binta’s kinderen. Zij kunnen niet bij haar terecht. De gemeente biedt Binta en haar kinderen geen onderdak omdat zij officieel een inschrijfadres heeft waar ze terecht kan. Er is geen familie of ander netwerk dat het gezin kan opvangen. Dan worden de kinderen, tot het grote verdriet van Binta, gedwongen bij haar weg gehaald. Voor Binta is er na twee dagen noodopvang bij een collega van mij, geen plek meer, en worden de kinderen verhuisd naar een pleeggezin.  Binta weet niet waar ze moet slapen.

Als ik op een vroege doordeweekse ochtend voor Kerst het hoofdgebouw binnenkom van hen die de belangen behartigen van vluchtelingen en asielzoekers, is het nog donker, de dag is nog maar net begonnen. Er staat een imposante versierde kunststof kerstboom met brandende lichtjes. In combinatie met de Tl-balken aan het plafond geeft het de entree een net niet warm welkomgevoel. Ik meld me bij de balie en geef aan dat de vrouw die ik begeleid er nog niet is. Er wordt aan me gevraagd mijn naam en de tijd van binnenkomst op een blaadje te schrijven, met daarachter mijn handtekening. Ik ga zitten aan een tafel waarop een stapel tijdschriften en folders ligt. Buiten zie ik de bomen bewegen, de wind waait flink.

Er druppelen meer mensen binnen. Ze melden zich een voor een aan bij de balie. Er wordt luid Nederlands gesproken door de dames achter de balie. De mensen die zich melden spreken geen Nederlands.  “Goedemorgen meneer!” Van onder een zwarte muts klinkt als antwoord een zacht gemompel. De schouders van de meneer hangen treurig naar beneden.  “Gaat u daar maar zitten, meneer Hussein.” Meneer Hussein begrijpt haar en komt naast me zitten.

Binta belt me, zegt dat ze eraan komt, dat de tram nog een halte verwijderd is van onze afspraak. Als ze vijf minuten later binnenkomt is ook haar gezicht verstopt in een capuchon met bontrand. In haar rugzak zit een map met steeds meer papieren.

Dan zijn wij aan de beurt voor het juridisch spreekuur. We krijgen geen hand. De slanke jonge dame loopt voorop. Ik zeg in het algemeen gedag, ik hoor niets anders dan stilte en het getik van toetsenborden. Door haar collega’s wordt niet opgekeken. We mogen gaan zitten aan haar bureau.

De dame die ons wil helpen zit achter haar computerscherm. We houden onze jassen aan.
Binta doet een poging haar verhaal te vertellen. Haar blik is naar de grond gericht.
Ze stamelt zachtjes dat haar kinderen zomaar ineens hier zijn. Dat ze voor ze wil zorgen maar dat ze niet goed weet hoe zij dit juridisch voor elkaar moet gaan boksen.

Al snel komt er vanuit de ruimte achter ons een collega kordaat aan gelopen en gaat achter haar collega staan. Ze kijkt ons niet aan, zegt geen gedag en geeft geen hand. Ze staart naar het computerscherm. Ik hoor dat zij in het Nederlands met haar collega over de situatie van Binta spreekt. Het klinkt alsof ze goed op de hoogte is van deze casus. Ik vraag de dames vriendelijk of zij Engels willen praten zodat we beiden kunnen volgen waar ze het over hebben. De dame kijkt me nors aan. Ze gaat door in het Nederlands. Haar nogal grote boezem hangt over haar buik. Een bruine riem zit strak gesnoerd om haar versleten hoge spijkerbroek. Ik vind dat zowel Binta als ik onbeschoft worden behandeld. Ik voel boosheid opkomen, ik verbijt me en vraag me stilletjes af of ik teveel met mijn cliënte meeleef. Hoe dan ook: we hebben deze dames nodig.

We worden gevraagd mee te lopen naar een aparte spreekkamer. “Deze zaak vereist privacy”, zegt de dame met de imposante boezem. Haar jongere collega, die in eerste instantie de juridische vragen van Binta zou beantwoorden, lijkt niet veel tekst meer te krijgen. Het spreekkamertje heeft geen verwarming. Het is er ijskoud. “Lekker warm kerstgevoel hier…”, probeer ik. Ze reageren niet, en lachen al helemaal niet.

Naast me zie ik steeds minder Binta en steeds meer capuchon.

De vrouw met de imposante boezem pakt een stapel gekleurde ordners met Binta’s naam er op.  Ze slaat de mappen een voor een open. Haar leesbrilletje gaat telkens van haar hoofd, op haar neus en dan weer aan een touwtje deinend op haar borsten. Geen woord Engels.
Ze maakt geen oogcontact met Binta. Ze komt niet bij ons aan de tafel zitten; steeds spreekt ze ons staand toe. Na drie kwartier in het ijskoude spreekkamertje hebben we een doel bereikt: er is contact gezocht met advocaten die verstand hebben van soortgelijke casussen en zaken pro deo kunnen doen. Ze beloven dat Binta zo snel mogelijk wordt teruggebeld. Binta zegt dat ze last van haar hoofd heeft.

Als we buiten komen is het al lang en breed licht en is de wind ijzig koud. Binta kan pas om 17:30 uur terecht bij de nachtopvang. Ik trakteer haar en mezelf op een warm drankje in een lunchroom.

Als ik Binta vraag wat ze van het gesprek vond zegt ze: “She was rude.”

Vanachter mijn cappuccino zit ik me een partijtje plaatsvervangend kapot te schamen.

 

Post navigation

  1 comment for “She was rude

  1. May
    december 28, 2017 at 7:51 pm

    Sure….. very rude.
    Zou het beleid zijn?

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *