Papieren

Ik heb met een groep collega’s een training over presentie.

“Een praktijk waarbij de hulpgever zich aandachtig en toegewijd op de ander betrekt, zo leert zien wat er bij de ander op het spel staat – van verlangens tot angst – en die in aansluiting daarbij gaat begrijpen wat er in de desbetreffende situatie gedaan zou kunnen worden en wie hij, zij daarbij voor de ander kan zijn. Wat gedaan kan worden, wordt dan ook gedaan. Een manier van doen, die slechts verwezenlijkt kan worden met gevoel voor subtiliteit, vakmanschap, praktische wijsheid en liefdevolle trouw”, lees ik op de keurig uitgewerkte PowerPointpresentatie voor me.

Aandachtig en toegewijd me op de ander betrekken, dat lukt me wel. Wat gedaan kan worden, wordt dan ook gedaan, ook. Maar wat gedaan moet worden, kan niet altijd worden gedaan.

Vlak voor aanvang van de training word ik in alle vroegte al gebeld door Ana, de moeder van Maria en Gloria, twee pubermeiden die sinds een paar maanden op een van onze crisisopvangplekken wonen. Kort daarvoor heeft ze me een appje gestuurd, waarschijnlijk met behulp van google translate, met de tekst: “Ik moet echt met iemand praten, alsjeblieft kunt u me horen. Ik spreek niet goed Nederlands. Het is moeilijk voor mij, ik bel u later. Hij kan niet weten dat ik met u praat.”

Ze vertelt me dat haar man weer erg veel drinkt. Dat zijn vrienden elke avond langskomen. Hij heeft veel stress, zegt ze, omdat hij erg weinig kan werken in de bouw. Hij schreeuwt vaak dat hij niet wil dat zij ’s avonds op straat is of naar een vriendin gaat. Jaloers controleert hij regelmatig haar telefoon. Soms geeft hij haar een paar flinke klappen. Hij heeft gezegd dat als ze iemand van de hulpverlening of politie belt hij haar zal vermoorden.

Ze is bang, zegt ze.

Ik vraag haar waar ze is. Ze zegt dat ze aan het schoonmaken is in een van de grote witte huizen, waar ze me eerder over vertelde. Ik stel me voor hoe ze, met een emmer sop naast zich, zittend aan een tafel met mij belt. Misschien ligt voor haar op die tafel een schriftje met krabbels van de eigenaar van het grote witte huis, met daar bovenop 30,- euro cash.

Ik adviseer haar naar de politie te gaan, maar ze zegt dat ze niet durft. Bang voor wat hij kan gaan doen en bang voor de IND. Dan vraag ik haar of ze naar een vriendin kan gaan of iemand anders die haar kan helpen. Nee, zegt ze. “Hij zal me altijd vinden. Vanavond ga ik gewoon weer naar huis.”

Wat gedaan kan worden, wordt dan ook gedaan.

Ik zoek naar het telefoonnummer en adres van het juridisch loket. En ik app haar de gegevens van een pro-deo advocaat en een maatschappelijk werkster die bekend zijn met haar cultuur, taal, afkomst en met de levenswijze en situatie van haar en haar lotgenoten zonder status. Ze zegt dat ze er met een vriendin heen zal gaan voor advies.

Ik denk aan het gesprek dat ik met deze ouders en een tolk een aantal weken geleden voerde waarbij  ze vertelden over de plannen waarmee ze, inmiddels tien jaar geleden, naar Nederland kwamen.   Ze zouden Maria en Gloria een periode bij oma achterlaten en in de tussentijd heel hard gaan werken, geld sparen, en dan, na een paar jaar terug komen om voor hun viertjes een mooi, klein, eigen huisje te kunnen bouwen bij oma op het erf. Maar in de realiteit blijkt intens weerbarstig.

Al het geld dat ze maandelijks verdienen is net genoeg voor de hoge onderhuur en de boodschappen. Ze verhuizen met grote regelmaat en vaak hoor ik drie woorden in gebrekkig Nederlands: “problemen”, “documenten”, “papieren”. Geld sparen om een huis te bouwen of om terug te gaan lukt niet. Kans op een verblijfsvergunning is minimaal en geld voor de aanvraag is er evenmin. Oma heeft de dochters na een paar jaar ook op het vliegtuig naar Nederland gezet.

Al jaren proberen de ouders het hoofd boven water te houden. Ze ploeteren van onderhuur naar onderhuur. Van schoonmaak klus naar schoonmaak klus. Het zwarte geld bijeenschrapend om te voorzien in hun eerste levensonderhoud. Zonder plan, zonder doel, zonder vooruitzicht op enige verbetering. Niet voor hen, en ook niet voor de twee opgroeiende meiden.

’s Avonds, als ik thuis ben, lees ik Otje voor. Otje en haar vader Tos, de kok, samen in het bestelbusje op zoek naar werk en een plek om te wonen. Otjes vriendjes Kwark de Kraai en Toep de mus, reizen trouw met hen mee. Tos heeft geen papieren en dus krijgt Tos vaak weinig betaald.  Tos wordt soms héél erg boos. Vooral als hij het woord “papieren” hoort, dan krijgt hij een echte driftbui.  De potten, pannen, taarten en gebraden kippen vliegen in het rond. Mijn zoontjes moeten bij die alinea’s heel hard lachen. Vooral de jongste rolt vaak van het lachen bijna van zijn peuterbedje. Maar dan wordt Tos ontslagen, zijn ze erg verdrietig en begint de reis weer van voren af aan.

Annie M.G. Schmidt maakt al generaties lang voor kinderen zware thema’s luchtig. Als jong kind werd ik ook voorgelezen uit Otje en fantaseerde ik om alleen met mijn vader, die ook soms ineens best driftig kon worden, in een bestelbusje de wereld rond te reizen. Het leek me een prachtig avontuur.

Helaas is dit gegeven voor Maria en Gloria en hun geen ouders geen mooi, nostalgisch kinderboek, maar de keiharde en uitzichtloze realiteit.

 

  3 comments for “Papieren

  1. May
    november 23, 2017 at 10:12 pm

    Ik wil zo graag blijven geloven in kansen, in wonderen.
    Zoals het leven van Otje en Tos langs buitengewoon wonderlijke wegen toch nog op zijn pootjes terecht komt.
    Uitzichtloosheid is n.l. niet te pruimen.

  2. mei 1, 2018 at 1:33 pm

    Hellow my name is MartinCrame. Wery capable post! Thx 🙂

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *