Stay Strong

Een tijd terug zag ik de documentaire: “Ik ben geen probleemkind, ik ben een uitdaging”, gedraaid in een gesloten inrichting in Heerhugowaard. De film gaat over de kinderen die daar terechtkomen. Allemaal hebben ze moeite hun draai te vinden, want er is te veel pijn, te veel teleurstelling. De film boeit en ontroert me; de lieve liedjes, de ontwapenende raps, het geblow, gegiechel, de weinige kansen. Vooral Iris, die Stay Strong op haar arm heeft getatoeëerd en niet kan uitleggen waarom ze zich regelmatig diep snijdt en batterijen slikt, maakt indruk.

Tot mijn schrik zie ik op de aftiteling dat Iris niet meer leeft.

Die avond doet Iris me sterk denken aan Jennifer, het meisje dat ik vanmiddag trof in de rechtbank, samen met de rest van haar familie. Het meisje voor wie ik en mijn collega Nancy, soms best bang zijn dat ze er op een dag niet meer is.

Jennifer is twaalf jaar, blond en draagt een beugel. Ze huppelt soms nog als een jong meisje, in het lijf van   een volwassen vrouw. Ze heeft twee  oudere  broers;  twee flinke, vriendelijke pubers. Jennifer heeft ook nog een jonger zusje; zij is zes jaar, te klein om er vandaag bij te zijn. Alle vier de kinderen wonen sinds drie maanden niet meer bij hun ouders, en zijn allemaal tijdelijk ondergebracht in crisisopvang en pleeggezinnen. Alle vier de kinderen kampen met flinke psychische klachten; de oudste drie hebben allemaal depressieve gedachten, doen suïcide uitspraken en snijden zichzelf.

Jennifer draagt altijd lange mouwen en een coltrui, ook vandaag nu het zo zomers warm is. Haar kleine zusje lijkt altijd extreem op haar hoede, bijna bang en heeft grote behoefte aan controle. Wat er precies in hun jeugd is gebeurd blijft op bijna mysterieuze wijze complex en on- doorgrondelijk. De verhalen van de gezinsleden daarover staan telkens consequent lijnrecht tegenover elkaar.

Jennifer vertelt dat ze veelal verantwoordelijk is voor het huishouden en dat haar moeder vaak op de bank ligt, dronken. Haar vader kan hard schreeuwen en slaat soms haar jonge zusje. Haar ouders vertellen dat Jennifer altijd al een bezorgd kind is geweest en situaties vaak veel zwaarder maakt dan dat ze daadwerkelijk zijn. Jennifer heeft psychologische hulp nodig. Haar ouders doen direct bij aanvang van de crisishulp na de uithuisplaatsing alcohol- en drugstesten om te laten zien dat zij nooit drinken of drugs gebruiken. Vooral Jennifer verlangt naar huis. Haar broers weten het niet zo goed. Het zusje van Jennifer is standvastig; elke week telt ze de dagen af tot de bezoekregeling met haar ouders. Voor het slapen gaan kust het zusje het fotolijstje waar het hele gezin, inclusief hun drie buldogs, als een kleurrijke kerstkaart te zien is. Ze vraagt haar pleegouders te eten zoals thuis: “Patat met satésaus en een kipcorn met curry, net als bij papa.” Hij runt een kleine patatkraam aan de overkant van het IJ.

Vandaag staat de rechtszitting gepland. De gezinsvoogd vraagt om een verlenging uithuisplaatsing. De Raad voor de Kinderbescherming vraagt om een ondertoezicht- stelling voor de ongeboren baby. De moeder  is  over twee weken uitgerekend. Ze verwacht een vijfde kind; een jongetje. Alle maanden dat ik betrokken ben bij dit gezin voel ik weinig vertrouwen in mijn samenwerkings- partners. Mijn adviezen worden niet opgevolgd, van  regie is geen sprake, beestjes worden nooit bij de naam genoemd en de weinige acties die er na veel duwen en trekken uit voortkomen zijn vaak minimaal, te laat en allesbehalve doortastend.

De ouders liggen wekelijks overhoop met de steeds wisselende gezinsvoogden en ik doe talloze pogingen te coachen met als doel het traject niet nog meer te laten stagneren. Mijn feedback zorgt niet voor  verbetering, wel voor irritatie en gesnauw aan de andere kant, en frustratie en machteloosheid aan mijn kant. Ik voel me alleen in de strijd om voor dit gezin de beste zorg in te zetten. Ik besluit de stoute schoenen aan te trekken en op het verzoek van ouders bij de zitting aanwezig te zijn. De gezinsvoogd benadrukt kribbig een dag van tevoren aan de telefoon: “Je bent geen belanghebbende.”

Als ik door de detectiepoortjes van de rechtbank ben en de moeder aantref, zie ik dat ze moeizaam loopt. Haar man ondersteunt haar. Zijn haar heeft hij opnieuw zwart geverfd; de grijze uitgroei van vorige week is weer volledig gecamoufleerd. Ik zie de moeder hardop uitademen en ze houdt een hand op haar zwangere buik. Ze vertelt me dat ze die middag vruchtwater is verloren en dat zij vandaag al haar zoontje verwacht. “Maar eerst de zitting”, haar ogen staan somber, ze heeft diepe wallen onder haar ogen. Zachtjes aan krijgt ze weeën. Ongelofelijk dat de baby zich juist op dit gespannen moment aankondigt.

De zitting vóór ons loopt flink uit. Met alle betrokkenen zitten we in de wachtkamer. Het is drukkend warm en het is onduidelijk of Nancy en ik bij de zitting mogen zijn. “Je bent geen belanghebbende hè”, zegt de gezinsvoogd nogmaals. Ik knik.

Eerst worden een voor een de kinderen naar binnen geroepen om apart met de rechter te praten. Daarna mogen de kinderen in de wachtkamer plaatsnemen en mag de rest van het gezelschap naar binnen. Ook Nancy en ik mogen naar binnen. Ik voel dat ik nerveus ben; ik begeef me op glad ijs. Ik probeer te vertrouwen op mijzelf en dat het verantwoord is dat ik hier ben. Zoals ik had verwacht is het verhaal van mijn samenwerkingspartners niet waterdicht. Er wordt gerommeld met feiten en inter- pretaties. “Maar mevrouw de Jong, ik zie in de rapportage dat de behandeling al drie maanden opgestart had moeten zijn, en dat er geen wachtlijst zou zijn, hoe kan het dat er nog niets aan GGZ-hulp geboden is?” vraagt de rechter.

Daarna komt de rechter bij mij  en  Nancy  en  vraagt hoe wij tegen de situatie aankijken. Ik geef hem mijn genuanceerde, zorgvuldige visie en vul aan en rectificeer gedeeltes van het betoog van mijn voorgangers. Nancy vult mij aan. De rechter in kwestie is snel, goed geïnformeerd en opvallend doortastend. Hij vraagt wat ik nu nodig vind en hoeveel tijd daarvoor nodig is. Ik zet uiteen wat ik nodig acht en waarin de hulpverlening de afgelopen maanden heeft gefaald.

Rechts zie ik vader en moeder die de wens hebben de kinderen vandaag nog naar huis te krijgen. Links kijken mijn collega’s van Jeugdbescherming naar mij, zij zijn van mening dat de vier kinderen nog een jaar niet thuis kunnen wonen. Ik benadruk dat ik wil dat de hulpverlening een “stok achter de deur” heeft en stamel dat drie maanden wellicht voldoende moet zijn om de passende GGZ-hulp, waar ik samen met Nancy al maanden aan trek, hun werk te kunnen laten doen.  Dan trekt de rechter en zijn collega zich vijf minuten terug en worden de drie kinderen binnen gelaten. De drie pubers nemen voor Nancy en mij plaats op de lege stoelen; de schouders en ruggen ogen gespannen. Jennifers oudste broer legt een hand op haar been.

Dan volgt de uitspraak. Tot mijn opluchting beslist de rechter wat ik het meest passend vind. Vader en moeder barsten beiden in tranen uit en doen nog een poging om de rechter ervan te overtuigen dat de kinderen wel al naar huis kunnen. Tevergeefs.

Jennifer stormt de zaal uit en snikt in de wachtkamer grote tranen weg. Haar broers omhelzen en troosten haar. Wanneer ik iedereen een hand wil geven kijkt Jennifer me met een boze blik aan. Haar vader verheft zijn stem: “Godverdomme, door jou zijn mijn kinderen nog lang niet thuis!” Mijn hoofd bonkt. Mijn samenwerkingspartners zijn al weg. Ik vraag me af wat zij van de hele situatie vinden.

Oh lieve Jennifer, Stay Strong, en ik bid, of zoiets, dat ik er goed aan heb gedaan vandaag.

  1 comment for “Stay Strong

  1. wilma van Heumen
    juni 6, 2017 at 2:29 pm

    Trieste situatie maar mooi en duidelijk door je beschreven

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *